|
Vrijdag 3 april 2026
om 19.30 uur
Domkerk, Goede Vrijdag
Voorganger(s): Hans Paauwe
Tekst(en): Johannes 18: 1-11 & Johannes 11: 12-24 & Johannes 18: 38 t/m 19: 6 & Johannes 19: 7-15 & Johannes 1
Ouderling(en): Anja Hulscher-Bogaards
Organist: Jobje Versteeg-Zuur
Beamer: Koos de Rijke
Streamer: Ed Lijster
m.m.v. koperblazers Liora
Collecte: 1. Streekverband "De Tien", 2. de kerk
Locatie: Domkerk

Klik op de button om mee te luisteren
Meekijken? Dit kan door te klikken op dit logo: of via 
Op Goede Vrijdagavond lezen we over de gevangenname van Jezus, Zijn voorgeleiden en Zijn laatste uren. We volgen de ontwikkelingen op de voet door Johannes 18:1 - 19 te lezen. Hans Paauwe gaat in deze dienst voor. Muzikale ondersteuning is er door een aantal koperblazers van Liora.
Orde van dienst:
Binnenkomst in stilte
Welkom
Lied 562: 1 + 2 + 3
Verootmoedigingsgebed
Bemoediging en groet
Lezing: Johannes 18: 1-11
1Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging Hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidron. Daar liep Hij een tuin in, met zijn leerlingen. 2Judas, die Hem zou uitleveren, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. 3Judas ging ernaartoe, samen met de cohort soldaten en een aantal dienaren van de hogepriesters en de farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. 4Jezus wist precies wat er met Hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ 5Ze antwoordden: ‘Jezus van Nazaret.’ ‘Ik ben het,’ zei Jezus, terwijl Judas, die Hem kwam uitleveren, erbij stond. 6Toen Hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. 7Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus van Nazaret.’ 8‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Jezus. ‘Als jullie Mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ 9Zo moest zijn uitspraak in vervulling gaan: ‘Geen van hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik verloren laten gaan.’ 10Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de knecht van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die knecht. 11Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou Ik de beker die de Vader Mij gegeven heeft niet drinken?’
LbvdK 180: 1 + 2 + 7
Lezing: Johannes 11: 12-24
12De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden Hem. 13Ze brachten Hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester, 14en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één mens sterft voor het hele volk.’ 15Simon Petrus kwam met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, 16maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. 17Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet,’ zei hij. 18De knechten en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen.
19De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. 20Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb Ik iets in het geheim gezegd. 21Waarom ondervraagt u Mij? Vraag het toch aan de mensen die Mij gehoord hebben, zij weten wat Ik gezegd heb.’ 22Toen Jezus dat zei, gaf een van de dienaren die erbij stonden Hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ 23Jezus zei: ‘Als Ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat Ik heb gezegd, waarom slaat u Me dan?’ 24Daarna stuurde Annas Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
LbvdK 181: 1 + 3 + 4 + 5
Lezing: Johannes 18: 25-37
25Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van Hem?’ vroegen ze. ‘Nee,’ ontkende Petrus, ‘ik niet.’ 26Maar een van de knechten van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je in die tuin bij Hem was?’ 27Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan.
28Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, anders zouden ze zich verontreinigen en niet aan het pesachmaal kunnen deelnemen. 29Daarom kwam Pilatus naar buiten. ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ vroeg hij. 30Ze antwoordden: ‘Als Hij geen misdaden had gepleegd, zouden we Hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ 31Pilatus zei: ‘Neem Hem dan mee, en veroordeel Hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ 32Zo moest de uitspraak van Jezus in vervulling gaan waarin Hij aanduidde welke dood Hij zou sterven.
33Pilatus ging het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg Hem: ‘Bent U de koning van de Joden?’ 34Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over Mij gezegd?’ 35‘Ik ben toch geen Jood,’ antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben U aan mij uitgeleverd – wat hebt U gedaan?’ 36Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat Ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ 37Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat Ik koning ben,’ zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat Ik zeg.’
LbvdK 177: 1 + 2 + 5 + 6
Lezing: Johannes 18: 38 t/m 19: 6
38Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’ Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in Hem gevonden,’ zei hij. 39‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 40Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger.
Johannes 19
1Toen liet Pilatus Jezus geselen. 2De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen mantel aan. 3Ze liepen naar Hem toe en zeiden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’, en ze sloegen Hem in het gezicht. 4Pilatus ging weer naar buiten en zei: ‘Ik zal Hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ 5Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is Hij, die mens,’ zei Pilatus. 6Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars Hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig Hem, kruisig Hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem Hem dan mee en kruisig Hem zelf, want ik zie niet waaraan Hij schuldig is.’
Lied 576a: 1 + 2
Lezing: Johannes 19: 7-15
7De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat Hij moet sterven, omdat Hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ 8Toen Pilatus dit hoorde, schrok hij hevig. 9Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt U vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. 10‘Waarom zegt U niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet U dan niet dat ik de macht heb om U vrij te laten of U te kruisigen?’ 11Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over Mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die Mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ 12Vanaf dat moment wilde Pilatus Hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ 13Toen Pilatus dit hoorde, liet hij Jezus naar buiten brengen. Zelf nam hij plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. 14Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is Hij, uw koning.’ 15Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met Hem, weg met Hem, aan het kruis met Hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’
LbvdK 189: 1 t/m 4
Lezing: Johannes 19: 16-24
16Toen droeg Pilatus Hem aan hen over om Hem te laten kruisigen. Jezus werd weggevoerd; 17Hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. 18Daar kruisigden ze Hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. 19Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op: ‘Jezus van Nazaret, koning van de Joden’. 20Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. 21De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ 22‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Pilatus.
23Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. 24Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo moest in vervulling gaan wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn gewaad.’ Dat is wat de soldaten deden.
Lied 578: 1 t/m 6
Lezen: Psalm 22: 2 t/m 22
2Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
3‘Mijn God!’ roep ik overdag, en U antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.
4U bent de Heilige, die op Israëls lofzangen troont.
5Op U hebben onze voorouders vertrouwd; zij hebben vertrouwd en U verloste hen,
6tot U geroepen en zij ontkwamen, op U vertrouwd en zij werden niet beschaamd.
7Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
8Allen die mij zien, bespotten mij, ze schudden meewarig het hoofd:
9‘Wend je tot de HEER! Laat Hij je verlossen, laat Hij je bevrijden, Hij houdt toch van je?’
10U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald, mij aan haar borsten toevertrouwd,
11bij mijn geboorte vingen uw handen mij op, van de moederschoot af bent U mijn God.
12Blijf dan niet ver van mij, want de nood is nabij en er is niemand die helpt.
13Een troep stieren staat om mij heen, buffels van Basan omsingelen mij,
14roofzuchtige, brullende leeuwen sperren hun muil naar mij open.
15Als water ben ik uitgegoten, mijn gebeente valt uiteen,
mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf.
16Mijn kracht is droog als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
U legt mij neer in het stof van de dood.
17Honden staan om mij heen, een woeste bende sluit mij in,
zij hebben mijn handen en voeten gebonden.
18Ik kan mijn beenderen tellen. Zij kijken vol leedvermaak toe,
19verdelen mijn kleren onder elkaar, werpen het lot om mijn gewaad.
20HEER, houd u niet ver van mij, mijn sterkte, snel mij te hulp.
21Bevrijd mijn ziel van het zwaard, mijn leven uit de greep van die honden.
22Red mij uit de muil van de leeuw, behoed mij voor de hoorns van de wilde stier.
U geeft mij antwoord.
Lied 22: 1 + 3 + 6
Lezing: Johannes 19: 25-30
25Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en haar zus, en Maria, de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. 26Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie Hij veel hield, zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’ 27en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.
28Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei Hij: ‘Ik heb dorst.’ 29Er stond daar een vat water met azijn; ze doopten er een spons in en brachten die, gestoken op een majoraantak, naar zijn mond. 30Nadat Jezus ervan gedronken had zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.
De Paaskaars wordt uitgeblazen
De koperblazers van Liora spelen:
When I am laid in earth by Henry Purcell, arr. Lars Birkelund Olsen
Lied 590: 1 t/m 4
In stilte verlaten wij de kerk
Toelichting collecte
De gezamenlijke Westlandse diaconieën ondersteunen voor langere tijd zes goede doelen die gezamenlijk zijn gekozen. Deze doelen zijn: stichting AHA (Albanië), stichting Elim (Indonesië), stichting MaSE (Oeganda), stichting hulp Hongarije - Oekraïne, stichting A Cup For Humanity (Rwanda) en stichting de Westercirkel (Roemenië).
Meer informatie over de doelen op de website van het streekverband deTien

|